Auto & Cultuur

Deze Nederlandse automerken ken je vast niet meer

· 4 min leestijd

Nederland staat niet bekend als autoland. Toch heeft dit kleine kikkerlandje meer dan honderd jaar lang zijn eigen automerken gehad, van luxueuze sportwagens tot volkswagentjes met een bijzondere versnellingsbak. De meeste ervan zijn spoorloos verdwenen en bijna niemand weet nog dat ze ooit bestonden. Tijd om een paar van die vergeten namen weer op te rakelen.

Spyker begon als koetsenbouwer in Amsterdam

Spyker is het bekendste Nederlandse automerk, al weten veel mensen niet waar het vandaan komt. De broers Jacobus en Hendrik-Jan Spijker bouwden in 1880 koetsen in Amsterdam en stapten rond de eeuwwisseling over op auto's. In 1903 bouwden ze iets wat in de autowereld als een kleine revolutie gold: een auto met vierwielaandrijving en een zescilindermotor, jaren voordat andere fabrikanten daar zelfs maar over nadachten.

Het merk ging in de jaren twintig failliet, maar kreeg in 2000 een tweede leven onder leiding van ondernemer Victor Muller. Met het bekende "Nulla tenaci invia est via" (voor de gedrevene is geen weg onbegaanbaar) als lijfspreuk bouwde Spyker exclusieve sportwagens en deed het zelfs mee in de Formule 1. Dat avontuur liep uit op een faillissement in 2014, maar de naam duikt sindsdien steeds weer op in nieuwe reddingspogingen. Op Wikipedia staat de hele, nogal dramatische geschiedenis uitgebreid beschreven.

DAF maakte ooit heel gewone personenauto's

De meeste mensen kennen DAF alleen van vrachtwagens, maar tussen 1959 en 1975 bouwde het Eindhovense bedrijf ook personenauto's. De DAF 33 en DAF 44 waren kleine, betaalbare wagens die opvielen door hun Variomatic, een traploze automaat die in die tijd vrij uniek was. Je kon er zelfs achteruit mee rijden met dezelfde snelheid als vooruit, iets waarmee DAF destijds flink mee adverteerde.

In 1975 nam Volvo het personenwagentak van DAF over, waarna het model verderging als Volvo 66. De vrachtwagenpoot bleef zelfstandig en bestaat tot op de dag van vandaag nog steeds, inmiddels onderdeel van het Amerikaanse Paccar. Benieuwd hoe het verder ging met Nederlandse merken die wel bleven bestaan? Lees ook ons artikel over 50 jaar Golf GTI, waarin we kijken hoe sommige modellen juist decennia overleven.

Eysink en Gatso, twee pioniers die niemand nog kent

Eysink uit Amersfoort begon als fietsen- en motorfietsenfabriek en bouwde rond 1898 zijn eerste auto, vaak genoemd als de eerste volledig Nederlandse auto. Het bedrijf verdween al voor de Tweede Wereldoorlog weer van het toneel, maar de naam leeft nog voort bij liefhebbers van oldtimers.

Nog opvallender is Gatso. Eind jaren veertig en begin jaren vijftig bouwde dit Nederlandse merk kleine sportwagens, maar de naam Gatso ken je waarschijnlijk van iets heel anders: de flitspaal. Oprichter Maurice Gatsonides was behalve autobouwer ook rallyrijder, en ontwikkelde later de snelheidsmeter die aan de basis stond van de Gatso-flitspaal die nog steeds langs Nederlandse wegen staat. Weinig mensen realiseren zich dat de man die ze flitst, ooit zelf auto's bouwde.

Waarom Nederland geen eigen autoland werd

De vraag die eigenlijk het meest interessant is: waarom bestaat er, in tegenstelling tot Duitsland, Frankrijk of Italië, geen grote Nederlandse auto-industrie? De verklaring ligt deels in de economie. Nederland voerde na de oorlog geen hoge importheffingen in op buitenlandse auto's, terwijl landen als Frankrijk hun eigen merken wel beschermden. Daardoor kregen Nederlandse fabrikanten nooit de kans om op te schalen tegen een thuismarkt die werd overspoeld met Duitse, Franse en Amerikaanse auto's.

Daar komt bij dat Nederland een klein land is met van oorsprong een sterke handelstraditie, niet per se een industriële. Het was logischer om auto's te importeren, te verhandelen en te assembleren dan om vanaf nul een eigen automerk groot te maken. Die nuchtere handelsmentaliteit verklaart voor een groot deel waarom de autosector hier altijd een relatief klein onderdeel van de economie is gebleven, iets wat ook terugkomt in ons artikel over de invloed van de autosector op de economie.

Donkervoort bewijst dat het nog steeds kan

Toch is het verhaal niet helemaal voorbij. Donkervoort, opgericht in 1978 in Lelystad, bouwt nog steeds met de hand lichtgewichte sportwagens en exporteert die naar liefhebbers over de hele wereld. Het bedrijf is klein gebleven, maar precies die kleinschaligheid is ook de kracht: geen massaproductie, wel een auto die écht Nederlands ontworpen en gebouwd is.

Donkervoort laat zien dat een Nederlands automerk kan overleven zolang het zich niet probeert te meten met de grote jongens, maar juist inzet op iets wat zij niet bieden. Het is een mooie opsteker voor wie denkt dat de Nederlandse autogeschiedenis alleen uit faillissementen bestaat. Mocht je zelf meer de weg op willen met een auto met geschiedenis, kijk dan ook eens naar onze lijst met de beste auto-gerelateerde films voor avondjes vol autocultuur. De volgende keer dat je een Donkervoort, een oude DAF of een Spyker tegenkomt op een evenement, weet je in elk geval precies welk stukje Nederlandse geschiedenis daar voor je staat.

R
Geschreven door Ruben Drost Auto redacteur

Ruben leeft voor auto's sinds zijn vader hem op zijn zesde meenam naar de International Amsterdam Motor Show. Die dag raakte hij een Jaguar E-Type aan en was het gebeurd. Sindsdien heeft hij een obsessie met mooie auto's die hij combineert met een verrassend technische kennis. Hij schrijft over supercars en classic cars met de bewondering van een liefhebber en het verstand van iemand die snapt waarom een bepaalde motor beter klinkt dan een andere. Zijn droomgarage verandert wekelijks, maar de E-Type staat er altijd in.